ik
jij, je, U
hij
wij, we
jullie
zij, ze
deze, dit
die, dat
hier
daar
wie
wat
waar
wanneer
hoe
niet
al, alle
veel
enkele, sommige
weinig
ander
een
twee
drie
vier
vijf
groot
lang
breed, wijd
dik
zwaar
klein
kort
smal
dun
vrouw
man
mens
kind
vrouw, echtgenote
man, echtgenoot
moeder
vader
dier
vis
vogel
hond
luis
slang
worm
boom
woud
stok
fruit, vrucht
zaad
blad
wortel
schors
bloem
gras
touw, koord
huid
vlees
bloed
been, bot
vet
ei
hoorn
staart
veer
haar
hoofd, kop
oor
oog
neus
mond
tand
tong
vingernagel
voet
been
knie
hand
vleugel
buik
ingewanden
nek
rug
borst
hart
lever
drinken
eten
bijten
zuigen
spuwen
braken, overgeven
blazen
ademen
lachen
zien
horen
weten
denken
ruiken
vrezen, angst
slapen
leven
sterven
doden
vechten
jagen
slaan
snijden
splijten
steken
krabben
graven
zwemmen
vliegen
lopen, stappen
komen
liggen
zitten
staan
draaien
vallen
geven
houden
knijpen
wrijven
wassen
vegen
trekken
duwen
werpen, gooien
knopen
naaien
tellen
zeggen
zingen
spelen
zweven
vloeien
vriezen
zwellen
zon
maan
ster
water
regen
rivier
meer
zee
zout
steen
zand
stof
aarde
wolk
mist, nevel
lucht
wind
sneeuw
ijs
rook
vuur
as
branden
weg
berg
rood
groen
geel
wit
zwart
nacht
dag
jaar
warm
koud
vol
nieuw
oud
goed
slecht
rot
vies
recht
rond
scherp
stomp, bot
glad
nat
droog
juist, correct
dichtbij
ver
rechts
links
aan, te, bij
in
met
en
als, indien
omdat
naam
